Hoe was het ook al weer?

Hoe werkwoorden werken

Had jij vroeger ook nachtmerries over de werkwoordspelling op school? Met een -t of een -d aan het eind, kofschip, fokschaap, het was een grote warboel!

Je moest je gewoon aan de spelregels houden, zeiden ze dan. Maar deed je dat en dan was er weer een uitzondering. Nederlands is zo moeilijk.

 

In deze blog ga ik een paar belangrijke spellingsregels doornemen. Zo kun je jezelf helpen aan een foutloze tekst.

 


Wat zijn werkwoorden?

Het woordenboek zegt:

"Werkwoorden zijn woorden die aangeven welke handeling of toestand of welk proces in de zin centraal staat."

Nou dan snap je er nog niets van. 

Simpel gezegd zijn werkwoorden woorden die je kunt doen. Het zijn ook de woorden die veranderen wanneer je de zin aanpast., van tijd veranderd bijvoorbeeld.

 

Bij de werkwoordspelling hebben we te maken met 3 verschillende tijden:

1. tegenwoordige tijd (ik-vorm + t);

2. verleden tijd ('t kofschip);

3. voltooide tijd (hulpwerkwoorden + voltooid deelwoord).

 

In deze blog neem ik de tijd voor de tegenwoorden tijd.

 


Ik-vorm + t

Een werkwoord eindigt altijd op -en in het Nederlands. De ik-vorm vind je door de -en eraf te halen.

 

antwoorden - antwoord

vinden - vind

 

Soms moet er nog iets meer afhalen of bijzetten (de wel bekende ' uitzonderingen').

 

vertellen - vertel

praten - praat

 

Dus dan krijg je bijvoorbeeld de zin:

 

Ik antwoord zo snel mogelijk.

Ik vind jouw jurk erg mooi.

Ik vertel een spannend verhaal.

Ik praat natuurlijk weer teveel.

 

 

Je hebt nu de ik-vorm gevonden. Nu de volgende vorm. Ik-vorm + t wordt ook wel de hij-vorm genoemd.

Je gebruikt deze vorm als een van de volgende persoonlijke voornaamwoorden voor het werkwoord staan;

 

hij, zij, je, jij, u of het (dus 1 ander)

 

ik-vorm                   + t

antwoord              antwoordt

vind                      vindt

vertel                    vertelt

praat                     praat

Uitzondering is wanneer de ik-vorm al op een 't' eindigt dan komt er niet nog een 't' bij.

 

Hij antwoordt de vraag snel.

U vindt het erg moeilijk.

Jij vertelt een leuk verhaal.

Het regent hard.

 

 

 

 



Persoonsvorm

De voorbeelden hierboven staan allemaal in de tegenwoordige tijd (de tijd van nu). De werkwoorden zijn hier ook allemaal gebruikt als persoonsvorm.

Ik, hij, zij, je, jij u en het zijn het onderwerp. Hoe vind je nu de persoonsvorm? Maak de volgende zin maar eens vragend.

 

Ik antwoord zo snel mogelijk

Antwoord ik zo snel mogelijk?

 

Het woord wat in de vraagzin vooraan komt te staan is de persoonsvorm.

 

U vindt het erg moeilijk.

Vindt u het erg moeilijk?

 


Hopelijk heb je iets aan deze uitleg gehad. En twijfel je al weer een beetje minder zodra je een mooie tekst aan het schrijven bent.

 

In mijn volgende blog behandel ik de

verleden tijd.



Reactie schrijven

Commentaren: 0